12 oktober 2008

28e zondag door het jaar
Jesaja 25,6-10a; Mt 22, 1-14

Het is best bijzonder dat we op deze zondag, nu wij hier samen zijn, deze twee lezingen van de profeet Jesaja en de evangelist Mattheus voorgeschoteld krijgen.

En al zal ik misschien niet er een erg orthodoxe uitleg aan geven, laat staan een die de officiële exegeten zullen toejuichen, we houden ons maar vast aan de opvatting dat een ieder in de bijbelteksten troost en bemoediging moet kunnen vinden.

Twee lezingen, beide over een feestmaal.

Bij Jesaja worden alle volken uitgenodigd - iedereen dus! Er bestaat geen onderscheid, geen discriminatie. En hoe moet dat in Jesaja’s tijd geklonken hebben – immers die nabuurvolken waren geen uitverkoren volkeren, integendeel: afgodendienaars en dergelijke – wij weten nu – zoveel beter op de hoogte hoe keer op keer in de wereldgeschiedenis volkeren, rassen,groepen werden en worden uitgesloten, gestigmatiseerd, uitgestoten – wij weten nu hoezeer die boodschap ingrijpend is voor het denken en doen van mensen, kán zijn.

Jesaja spreekt over de sluier die over alle volkeren ligt, de floers die alle naties bedekt. Moeten wij dat niet verstaan als de vooroordelen die volken in hun greep houden om daardoor mensen te kunnen blijven veroordelen, in een hoek zetten, verachten, beschimpen?

Die sluier van vooroordeel, haat, achterdocht, verdachtmaking wordt door de Eeuwige verscheurt, dat floers dat zoveel mensen bedekt waardoor zij als onaanraakbaar worden gezien; nog erger: waardoor zij zich zelf als minderwaardig beschouwen: iedereen zegt het en vindt het immers, dus zal het wel waar zijn.

Maar het staat er heel krachtig: Hij veegt de tranen van alle gezichten, hij wist de smaad uit.

Alle superioriteitsgevoelens van de meerderheid die zich als model beschouwt, alle dwang die opgelegd wordt om je meest eigene wezen te verloochenen, alle moraalridders die steeds weer opnieuw vanuit een vooringenomen standpunt over goed en kwaad, over aanvaardbaar en onacceptabel, over normaal en abnormaal beslissen, oordelen; als onaantastbare voorvechters van het edele, goede leven, die zichzelf uitroepen tot de norm van het menselijk bestaan.

Op die dag zal men zeggen:“ Hij is onze God. Wij hoopten op Hem en Hij heeft ons gered.”

Beleven wij het zo, durven wij het zo beleven? Of horen wij weer zachte fluisterstemmen, die twijfelmoedig vragen: MOGEN wij het zo beleven?

Iedere speurtocht naar de spirituele grond van iedere mens, de zoektocht van iedereen naar het antwoord op de levensvraag: wie is mijn grond? Wie is God voor mij? Het eerste begin van een antwoord, een voorzichtig, maar fundamenteel antwoord ligt in dat zinnetje”ik weet mij aanvaard`. Ik mag er zijn voor God. Ik, dus ik zoals ik ben. En niet ingekrampt door allerlei mitsen en maren.

De hoogleraar neurobiologie van de Universiteit van Amsterdam, Dick Swaab schreef onlangs in het NRC dat homoseksualiteit niet te ‘genezen’ is, zo je dat al zou willen. De seksuele oriëntatie van de volwassen mens valt niet te beïnvloeden. Het is geen vrije keuze! En Swaab voegt daar veelbetekenend aan toe: “Als ook de kerken in Nederland dat eens zouden accepteren, dan zou het leven van een groot aantal van hun jonge leden”(en ook oudere leden uiteraard!) “er een stuk gelukkiger uitzien. En dat zou toch het doel van die kerken moeten zijn”.

Wat is dat toch voor bizarre fixatie op en angst voor seksualiteit en homoseksualiteit binnen de kerken? En hoe belachelijk maken kerkelijke bonzen zich niet, wanneer voor iedere objectieve toeschouwer het zonneklaar is hoe in de allerhoogste kerkelijke regionen mannen zetelen die overduidelijk ‘blije’ mensen zijn, al durven zij dat niet ten opzichte van zichzelf te erkennen; en al brengen zij dat misschien niet in praktijk; dat is hun goed recht.

Maar het is wel hypocriet te fulmineren tegen homo´s en lesbo´s.

Door te suggereren dat wij geen bruiloftkleed aan zouden hebben!

Misschien - om eerlijk te zijn - is er alle reden om aan mijn bruiloftskleed te twijfelen,maar om homoseksualiteit te beschouwen als een fundamentele – liefst ook nog door God gewilde – belemmering om een bruiloftskleed te dragen en aan het feestmaal aan te zitten is, mogen wij wel zeggen, godslasterlijk.

Omdat - wanneer wij uitgaan van ons geloof dat iedere mens geschapen is naar Gods beeld – daarmee God in de beklaagdenbank geplaatst wordt. En zo zout zullen die lieden het eten toch wel niet willen opdienen.

Natuurlijk de wijze waarop iedere mens met haar of zijn seksualiteit omgaat is een ander chapiter.

Maar wanneer eerbied, respect, genegenheid en wederzijdse consensus daarbij een rol spelen, lijkt het heel schijnheilig om met twee maten te meten.

Weigeren aan het feestmaal deel te nemen is nog iets anders dan op voorhand uitgesloten te worden.

Dát doet de uitnodiging van de koning op geen enkele wijze.

‘Nodig uit wie je maar wilt’, zegt hij tegen zijn dienaren.

Wij zijn uitgenodigd. Wat is het goede dat samen hier te vieren, deel mogen nemen aan het feestmaal dat het leven eigenlijk zou moeten zijn; dat is het wel niet altijd, maar proberen de vreugde te proeven dat ik ben wie ik ben, met al mijn mogelijkheden; dat ik mij aanvaard weet, dat ik welkom ben.

Dus in ´s hemelsnaam laten we het lied dat we straks gaan zingen ‘vernieuw Gij mij, schep een nieuwe geest in mij’ niet uitleggen alsof wij anders willen zijn.

Nee, ik wil zijn die ik ben; maar vernieuw mij om zo goed mogelijke degene te durven zijn die ik ben. En daar blij, ‘gay’ mee zijn.

Terug naar homepage Dignity