| |
13 juni 2010
11e zondag door het jaar
2 Sam 12,7-10.13; Lk 7,36-50
Wij mensen kunnen boven onszelf uitgroeien; er zijn verschillende wegen; een toegang is: vergeving.
De mens kan zichzelf overstijgen als hij, zoals Jezus aan het kruis, vergeving verleent. Maar een mens kan zichzelf ook overtreffen, als hij, zoals David, vergeving ontvangt.
Zo uitzonderlijk, zo bevoorrecht deze koning in Israel was - door zijn falen heeft hij ook alles op het spel gezet. Veel pleit tegen hem, niet alleen, dat hij een ander de vrouw afnam en hem liet vermoorden. Deze misdaad treft niet alleen de rechtstreeks daarbij betrokkenen, ze woekert voort: in het koningshuis, waar moord en doodslag om zich heen grijpen, en in de verdere geschiedenis van Israel. Al is de schuld van David zwaar, zo zwaar, en al heeft ze verreikende gevolgen - hij ontvangt toch vergeving. Er is wel voorwaarde, namelijk: David erkent en bekent verkeerd gehandeld te hebben, en hij vraagt om vergiffenis. Omdat hij dit kan opbrengen en spijt betoogt; omdat hij zich realiseert dat alleen Gods barmhartigheid hem nog kan redden - daarom treedt ons deze man in de geschiedenisboeken ondanks zijn zware misstappen ook en vooral als grote gelovige tegemoet, tot op de dag van vandaag, als een mens met een diepgaand besef van Gods genade.
Het vertrouwen van een mens op God kan sterker zijn dan de grote schuld waardoor iemand zijn eigen leven en dat van anderen in gevaar brengt - dit is een wonder. God zelf heeft het zo gewild, zegt ons geloof, God heeft het zo ingericht. Want dit - ondanks alles op vergeving vertrouwen - dit kunnen wij niet uit eigen kracht; deze overgave is een geschenk van hem, die het werk van zijn handen niet verloren laat gaan, maar die het kroont met genade en barmhartigheid (ps 103,4).
We zijn vandaag uitgenodigd, ons de eigen ervaringen rond vergeving voor de geest te halen, daarover na te denken. Een eerste vraag zou kunnen zijn: de grote vergeving - heb ik zoiets beleefd? Heb ik meegemaakt dat ik helemaal gevloerd was door mijn falen, door een mislukking - en dat ik opgericht werd door het wonder van de vergeving?
Vergeving ontvangen, vergeving kunnen ontvangen - dit is kennelijk de voorwaarde daarvoor, om vergeving te kunnen verlenen. Zijn er ogenblikken geweest, zouden we ons dan kunnen afvragen, zijn er ogenblikken geweest, toen ik de kans kreeg, vergeving te schenken, grote vergeving zelfs? Als ik die kans heb kunnen grijpen, dan was het God die in mij, door mij handelde. En als ik zulke kansen gemist, verprutst heb - de hemel van Gods welwillendheid bleef en blijft toch uitgespannen en open - over mij, over de ander, over allen. Al overstijgt zijn goedheid ons menselijk vermogen - wij kunnen toch de vrijgevigheid van de Eeuwige belichamen.
Zoals Jezus met de vrouw in het evangelie omgaat, daaruit blijkt: haar falen sluit niet uit dat zij tegelijk en nog veel meer in staat is, lief te hebben. 'Want ze heeft veel liefde betoond' (Lk 7, 47): op dit vermogen van deze vrouw richt Jezus al zijn aandacht, en hij laat blijken hoe diep hij daarvan onder de indruk is. 'Want ze heeft veel liefde betoond': dit vermogen herkent Jezus, en hij beschrijft, dat en hoe hem dit raakt, niet alleen geestelijk, maar ook lichamelijk: als deze vrouw zijn voeten kust en met haar tranen wast; als ze met haar haar zijn voeten droogt; als haar handen zijn hoofd en zijn voeten inwrijven met geurige olie.
Jezus wil de vrouw niet zo zien, zoals zij in de stad bekend staat, als geminachte randfiguur, als zondares; door deze veroordeling laat Jezus zich niet gezeggen, hij laat de vrouw uit de schaduw van deze verwijten treden; de andere, de grotere waarheid wordt zichtbaar, kan beginnen te stralen, te fonkelen: 'want zij heeft veel liefde betoond'. Volgens Jezus hoeft niemand te blijven steken in de zwakte van het falen, in de zwakte van te weinig liefde.
Dat de liefde en het vertrouwen op haar kracht mensen verblijden - dit zou zeker ook in de kerk van Jezus Christus moeten gelden. Maar veel mensen, ook binnen onze eigen geloofsgemeenschap, hebben de indruk, dat vaak een negatieve benadering de eerste viool speelt, dat verboden, verwijt en afwijzing, veroordeling en uitsluiting de boventoon voeren. Denk maar aan geliefden die ongetrouwd samenwonen; aan mensen die na een scheiding hertrouwen; aan partners die voorbehoedsmiddelen gebruiken; aan mensen die priester zouden willen worden, maar afgewezen worden, omdat zij niet voor de onthouding van het celibataire leven kiezen. Als nu ook hier, bij deze en bij andere mensen, hun liefde op de voorgrond kwam te staan, als vooral die gezien, erkend werd! Als die voorrang krijgt, worden zij en wij allen daar beter van. En geldt dit niet ook voor een andere groep: vrouwen die van vrouwen, mannen die van mannen houden? Hier is in zestig jaar tijd al veel veranderd; ook in katholieke kringen ruilen steeds meer mensen afwijzing en veroordeling in tegen belangstelling en positieve, begripvolle betrokkenheid. In het bijzonder familie en vrienden erkennen veelal de kracht en de schoonheid van zulke vriendschappen, zien ook een dergelijke relatie als levens- en liefdesverbond.
Ons allen, ondanks heel wat verschillen van inzicht en van meningen, ons allen verbindt het verlangen naar de bevrijding, zoals die in het verlossen-de inzicht van Jezus doorbreekt: 'want zij heeft veel liefde betoond'. Als deze prioriteit voorrang krijgt, maakt deze herschikking ons ontvankelijk voor Gods barmhartigheid.
'Er wordt veel liefde betoond, hoeveel liefde wordt hier wel niet betoond!' - graag kijk ik naar jullie, zusters en broeders, betrek deze woorden von Jezus op de hier aanwezigen, een voor een. 'Er wordt veel liefde betoond, hoeveel liefde wordt hier wel niet betoond!': hoe rijk en hoe gelukkig kunnen we worden, als wij zo naar de ander kunnen en durven te kijken - en tenslotte, hopelijk, ook nog naar onszelf!
'Jezus, U wilt en U zult het ons leren!'
Terug naar homepage Dignity
|
|