| |
Heilig Sacrament van het Lichaam en Bloed van Christus
14 juni 2009
Sacramentsdag
Openingswoord
Veertien juni, Sacramentsdag, Hoogfeest van het Heilig Sacrament - mijn voorbereiding op deze dag begon op straat. Maandag j.l. wandelde ik in Münster. Mijn blik viel op een affiche, en ik las: 14 juni, Wereld bloeddonordag, werelddag van de bloeddonatie. Ik wist niet eens dat zoiets bestond, en ik dacht meteen: zou deze gedenkdag te maken hebben met het kerkelijke feest dat elk jaar in de kerkelijke kalender staat, op de tiende dag na Pinksteren, Sakramentsdag, als wij het lichaam en het bloed van onze verlosser vieren? Spoedig bleek: nee, deze veronderstelde samenhang bestaat niet. De werelddag van de bloedgever is op 14 juni terechtgekomen, omdat dit de geboortedag was van een Nobelprijswinnaar, Karl Landsteiner. Hij werd in 1930 onderscheiden voor zijn baanbrekende ontdekkingen in het bloedonderzoek. En de internationale dag van de bloedgever is door de Wereldgezondheids-organisatie van de Verenigde Naties in het leven geroepen, om alle bloeddonors ter wereld te bedanken voor de meer dan 80 miljoen bloeddonaties, waarmee zij jaarlijks miljoenen levens redden. -
Terug naar Sacramentsdag! Dan danken wij voor het Godsgeschenk, voor de bloeddonor die levens redt; wij vieren Jezus Christus als de universele bloedgever, als heil en genezing voor de mensen van alle tijden.
Overweging
Exodus 24, 3-8; psalm 116, 12-13.15-18; Hebreeën 9,11-15: Marcus 14,12-16.22-26
Twee weken geleden was ik bij de dokter; er moest bloed geprikt worden. Van tevoren had ik nog even daarover nagedacht: als de naald de ader ingaat - wat doe ik dan? Durf ik het aan, kijk ik ernaar? Geef ik mijn ogen de kost, sla ik het gade, volg ik het, als het glas van binnen langzaam rood kleurt en vol raakt? Nou zeg, hield ik mezelf voor, de grote jongen die ik ben moet dit toch aankunnen! En ja, het ging goed, en ik ben niet flauwgevallen. Wat een gedoe, dacht ik nog, lichtelijk verbaasd: een ingreep van niets houdt mij dusdanig bezig!
Aan de andere kant: er is zeker geen aanleiding om lacherig te doen over mensen die zeggen: ik kan geen bloed zien! Hebben ze niet gelijk? Het bloed is er niet, om gezien te worden. Het bloed is niet alleen donker van kleur, het werkt ook in het donker. In de verborgenheid van onze lichamen is het bloed aanwezig, daar hoort het thuis, is het onderweg, aan het werk, onophoudelijk. Als het goed is, blijft het bloed aan onze ogen onttrokken. Het onzichtbare stromen in ons lichaam lijkt kennelijk op de bron van alle goeds, waaruit ook het bloed opwelt: het lijkt op de Vader die in het verborgene is; het is een donatie van de Vader die in het verborgene ziet (Mk 6,4.6).
In het Bijbelse verhaal over de eerste moord in onze mensengeschiedenis laat een stem zich horen, ze roept: 'wat heb je gedaan! Hoor toch hoe het bloed van je broer uit de aarde naar mij schreeuwt! Daarom: vervloekt ben jij! Ga weg van deze plek, waar de aarde haar mond heeft opengesperd om het bloed van je broer te ontvangen, het bloed dat jij vergoten hebt. Ook al bewerk je het land, het zal je niets meer opbrengen. Dolend en dwalend zul over de aarde gaan!' (Gen 4,10-12, NaB).
De eerbied voor het bloed is in de Joodse traditie groter, gaat verder dan bij ons. Niet alleen het gewelddadige vergieten van menselijk bloed druist in tegen Gods wil. De wet van Mozes heeft het over het bloed van dieren en schrijft voor: ‚wees er wel op bedacht dat u zich van het bloed onthoudt, want bloed is leven; vlees met leven erin mag u niet eten' (Deut 12,23, NBV); het bloed, dat is de ziel: eet niet de ziel op met het vlees!' (Deut 12,23, NaB). 'Want de bezieling van het vlees, in het bloed zit die, … door de ziel erin vraagt het verzoening' (Lev 17,11, NaB).
'Vrouwen die van vrouwen, mannen die van mannen houden' - deze aanleg, deze onze geaardheid is diep verankerd in ons bestaan, en dit schept een bijzondere verbondenheid; die is ons veel waard, die koesteren we. Je geaardheid is niet gevestigd ergens op de buitenkant van je persoon, ze is geen zomerjasje, dat je op gegeven moment vervangt door een ander. Je geaardheid zit in je bloed - zo diep, zo goed verstopt dat het totnogtoe niet gelukt is - Goddank niet! - zoiets als een homogen op te sporen en vervolgens een dialysemethode te ontwikkelen die het uit je bloed filtert. Nee, kennelijk is het niet zonder reden gebeurd dat deze aanleg zo goed verstopt werd, zo ingenieus, zo diep in het bloed. Het is het leven zelf, dat dit doet, de vindingrijke liefde. Ook daarvoor mogen we God prijzen. Als je deze geaardheid wilt uitroeien, dan moet je het leven zelf uitroeien. Vanuit deze redenering is het alleen maar consequent dat in heel wat landen homoseksuele mensen nog steeds terechtgesteld en gedood worden. Maar het leven uitroeien, oorlog voeren tegen de liefde - betekent dit niet: oorlog voeren tegen God?
'Het bloed is leven'; 'het bloed, dat is de ziel'; 'door de ziel erin vraagt het verzoening' - een nieuwe dimensie van betekenis gaat open, als we deze inzichten van het Joodse geloof op Jezus betrekken. Zoals het bloed van Abel werd ook het onschuldig bloed van Jezus prijsgegeven (Mt 27,4). Maar dit is niet gebeurd, opdat de vloek die Kaïn thuisloos maakte, bevestigd wordt. Het prijsgeven van Jezus' onschuldig bloed moet het dolen en het dwalen niet verhevigen, maar beëindigen. Dit bloed zet niet aan tot wanhopig vluchtgedrag; dit bloed nodigt uit toe te treden, samen te komen, sticht een nieuwe bloedverwantschap - ongekend grensoverschrijdend, ongekend hecht. Deze bloedverwantschap brengt een onafzienbare menigte samen die niet te tellen is, uit alle landen en volken, van elke stam en taal (Apk 7,9). Elke samenkomst in christelijke kerken, ook deze, kondigt deze universele vergadering aan. 'Wij zijn toegetreden', schrijft een getuige van het eerste uur in de brief aan de Hebreeën, 'wij zijn toegetreden tot Jezus, middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenkeling dat sterker spreekt dan dat van Abel' (Hebr 12, 24). Nu zijn wij, die eens ver weg waren, 'in Christus Jezus dichtbij gekomen, door zijn bloed' (Ef 2,13, NBV). In Jezus 'heeft God alles met zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel, door vrede te brengen met zijn bloed aan het kruis' (Kol 1,20, NBV).
Mijn bloed, het bloed dat in mijn aderen stroomt, is dus meer dan alleen maar dit: mijn bloed, mijn leven, mijn ziel, mijn ziel en zaligheid. Het is aangesloten op de bloedsomloop van de verlosser. Hoe meer ik daarvoor open sta, hoe meer ik daarin opga, des te meer wordt mijn ziel geopend voor wat mij niet vlees en bloed hebben geopenbaard, maar de Vader die in de hemel is (Mt 16, 17). Helaas, evenals Petrus ben ik daarvoor vaak niet ontvankelijk. Maar gelukkig, de scheiding kan worden opgeheven, de scheiding tussen mijn bloed en het bloed van het verbond. Daarvoor nodigt Jezus mij, ons aan zijn tafel, reikt de beker aan, laat allen daaruit drinken en zegt: 'Dit is mijn Bloed van het Verbond, dat vergoten wordt voor velen' (Mk 14, 24). Met al onze bloedverwanten dichtbij en ver weg zijn wij onderweg naar 'het nieuwe drinken in het koninkrijk van God' (Mk 14, 25) - nieuw, omdat dan allen één lichaam zullen zijn, doorstroomt door dezelfde Geest. Het nieuwe drinken in het koningrijk van God - met het oog op deze toekomstige bijeenkomst blijft de vraag van Jezus actueel, daagt ook ons uit: 'waar is de zaal waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?' (Mc 14,14).
Al Mozes doet tijdens het soms wanhopige dolen en dwalen door de woestijn een beroep op de kracht van het bloed. Het ritueel dat Mozes tijdens deze barre tocht met het volk viert moet aantonen: het leven van God is de bron. Deze bron wil het lichaam vervullen - het lichaam van de enkeling, het lichaam van het volk, het lichaam van het verbond. Anders zijn wij ten dode opgeschreven. Daarom sprenkelt Mozes bloed over het altaar, en sprenkelt hij bloed over het volk. Rond de tafel van God, het altaar, vinden mensen gemeenschap met de Eeuwige, ontvangen van hem, de bloedgever, de beslissende transfusie, 'het bloed van het verbond' (Ex 24,8).
'Hopelijk mag je nog vaak de kelk verheffen!' Met deze wens verraste mij enkele dagen geleden een medegelovige (M.T., 30-05-2009). Graag zou ik kunnen schetsen, maar dat zal me niet lukken, graag zou ik kunnen doorgeven, wat in de ogen van degene leefde toen hij dit tegen mij zei: 'Hopelijk mag je nog vaak de kelk verheffen!' Ik besefte: zo vaak heb ik de kelk al mogen verheffen, en dikwijls drong maar beperkt tot me door wat ik deed, en vooral: wat dit inhoudt, de kelk verheffen. Maar nu mocht ik begrijpen: ik kan alleen maar de kelk verheffen, dit is zo zalig, omdat zo velen dit met mij doen - eigenlijk, welbeschouwd, het hele volk van God. Wat zij, wat jullie, wat wij daarin zien, in het verheffen van de kelk - dit maakt dat deze minieme beweging, weinige centimeters omhoog, dit maakt dat dit eigenlijk hulpeloos gebaar zo onbegrijpelijk veelzeggend, zo onafzienbaar krachtig is. Het reikt tot aan de uiteinden van de aarde, tot aan de vervulling van de geschiedenis, tot aan de derde, de zevende hemel (2 Kor 12,2), noem maar op - en nog veel, veel verder: tot aan het geheim van Gods eeuwige liefde.
'Het bloed is leven'; 'het bloed, dat is de ziel'; 'door de ziel erin vraagt het verzoening'.
Terug naar homepage Dignity
|
|