13 juli 2008

15e zondag door het jaar
Jes. 55, 10-11; Matt. 13, 1-23

Welkomstwoord

Lieve vrienden en vriendinnen,

Toen de liturgie voor vanmiddag klaargemaakt moest worden, en ik een regel uit de Bijbelteksten moest kiezen, wist ik nog niet dat we in het vorig weekend afscheid zouden nemen van een houvast-figuur in onze gelederen, pater Jan van Kilsdonk. Een man met slechte ogen, met oren die na 91 jaar intensief gebruik ook niet meer optimaal functioneerden, maar van wie je tot het allerlaatst kon zeggen, dat hij luisterde met zijn hart.
Rondom deze profeet willen wij vanmiddag de Schrift verstaan, onze verstandhouding herzien met de Vader, wiens ruimte hij tastbaar maakte, en onze verbondenheid met elkaar laten gezeggen door zijn geloof in mensen, onvoorwaardelijk.

Preek

Lieve mensen.

“Het woord van God”, schrijft Jesaja, “is als regen en sneeuw vanuit de hemel. Het maakt zijn gang over de aarde, en keert weer terug omhoog, als het zijn zending heeft volbracht.” Alsof er geen boer, geen mensenhand, tussen kwam.
Als Jezus op ditzelfde thema doorgaat, en vertelt over het zaad, dat hier wèl, en elders niet opkomt, en wat daarvan de oorzaak is, dan ben je op het eerste gehoor geneigd, om de bodem daarvan de schuld te geven. Gods woord is natuurlijk goed, maar de mensen zijn rotsachtig, zetten hun stekels op, hebben geen diepgang om het zaad wortel te laten schieten.
De goede zaaier en de weerbarstige bodem, en maar het restje goede grond zijn vaak het stramien geweest voor een felle donderpreek.
Maar waarom bleef de zaaier, de man aan wie het woord was toevertrouwd, zelf buiten schot? Waarom werd hij meteen vereenzelvigd met Hem, die 't woord had uitgesproken? In wat Jezus hier zegt over hen, die de opkomst van het zaad bemoeilijken, worden profeten en rechtvaardigen niet uitgesloten.
Het gaat over mensen met goede ogen, maar die niet echt zien; die oren hebben, maar niet luisteren, niet werkelijk verstaan. Die bang zijn, zegt Jezus, voor wat ze misschien ontdekken, als ze hun hart opzenzetten, en zich daardoor laten gezeggen.
Dit zijn teksten, die in alle toonaarden zijn aangehaald bij het uitgeleide van Jan van Kilsdonk. Hij was nooit bang voor wat hij te zien en te horen kreeg bij mensen. Integendeel, hij hield van het gezicht, dat je aan hem blootlegde, hij luisterde zó van harte naar je verhaal, dat hij ermee instapte. “De trooster van duizenden”, schreef een krant. Ik zou liever zeggen: de arm om je heen, die je meesleepte: je hoort erbij.
Hij was niet bang voor welk gesprek dan ook. Hij was dankbaar voor wat hij anderen kon bieden, maar ook voor de ontdekkingen, die hij bij hen deed.
het meest ontroerende moment uit de Kruispunt-uitzending van dinsdag vond ik zijn verhaal van Bram, de terminale aidspatient die vond dat hij hem een kruisje moest opspelden, wat dat hoort bij U. Ik voelde, zei Jan, dat ik toen voor de tweede keer priester werd gewijd.
Zijn tegendraads optreden, zijn zien en luisteren met zijn hart, zijn beroemde lofzang op homoseksualiteit als een vondst van de Schepper, confronteerden hem met de vrees, die Jezus in het evangelie van vandaag signaleert, vrees voor de ruimte waarin het zaad kan gedijen en meer mensen gelukkig kunnen zijn dan regels en wetten aangeven.
Beste mensen, even genoeg van deze heilig-verklaring, waarvan velen van jullie ongetwijfeld 't een en ander hebben meebeleefd. Maar pak er iets kleins uit mee voor jezelf. Dat je het zaad de ruimte kunt geven met een oog dat ziet en met een oor dat luistert, met een hart dat gelooft in wat achter de weerbarstige buitenkant verborgen is. “Delf mijn gezicht op, maak mij mooi”, dat was het lievelingslied van Jan van Kilsdonk dat bij zijn uitvaart werd gezongen, en waarin hij getuigde dat zovele zwervers met hem, hem hadden doen geloven in het paradijs.

Jan Schlatmann

Terug naar homepage Dignity