Preek 6 april 2008

Vierde zondag van Pasen
Hand. 2, 14a.36-41; 1 Petr.2, 20b-2S; Joh. 10, 1-6

Hoe mooi de lezingen van deze zondag ook zijn, ik wil graag met jullie mijmeren over een lied dat wij straks gaan zingen en dat ik nu even ingeblikt - wil laten horen.

Lied

Jij bent van jou, onachterhaalbaar eigen.
Ik ben van mij, geen ander zal mij krijgen.
Wat ik jou vraag, wat jij mij vraagt
is leeg en zonder zin gevraagd.
Een oogwenk ver in vreemd gebied,
ooit verder komen doen wij niet.

Ik wou een leven meer, mocht ik jou vinden,
ik bond mij aan je vast, kon ik mij binden.
Ik zou in jou vergaan , en jij
ontstaan in mij, en wij in wij.
Eens lang ik neer, versteend van kou,
Ik droomde dat ik vocht met jou.

Die nacht werd mij een nieuwe naam gegeven.
Geschonken werd mij nog een tijd van leven.
En even, tot de morgen daagt,
is wat ik vraag en wat jij vraagt,
vervuld en een. Toen ging jij heen
en bleef ik met mijn droom alleen.

Huub Oosterhuis

Zoals bij alle goede poëzie kun je dit gedicht lezen op verschillende nivo' s. Maar wat vooral naar voren springt is de grote innigheid.
Dat onuitroeibare, diepe, steeds zich weer aanbiedende, opdringende verlangen in de mens, ongeacht haar of zijn leeftijd, naar een andere mens, nabij, dicht nabij, aanraakbaar.
Die zoektocht telkens weer naar een ander die mij vertrouwd is, verwant. Herkenbaar en toch vreemd, eigen en toch onmiskenbaar een ander.
Een streven dat niet ophoudt, dat nu en dan voor een tijd, een poosje naar de achtergrond mag te lijken te zijn verdwenen, maar dan weer vurig de kop op steekt. En dat kan zeer verschillende gedaanten aannemen: soms is het een louter lichamelijk verlangen, begeerte, soms heerszuchtig: ik wil je bezitten; soms uit nieuwsgierigheid omdat die andere mens je intrigeert en je aan haar wezen wilt raken; soms de prikkeling van een geestelijk raakpunt dat je doet haken naar geestelijke eenheid.
Zo'n ontmoeting kan je onrustig maken - vooral wanneer begeerte een rol speelt, gewoon geilheid - , maar het kan ook bij een echt geestelijk raken aan een ander, een moment van versmelting, van in-diep verstaan en bevrediging brengen die vrede, innerlijke rust en stilte geeft.
Maar steeds is er die drempel, zoals het eerste couplet zingt: 'jij bent van jou, onachterhaalbaar eigen'; ik kan je niet totaal bezitten, tenminste niet geestelijk. De lichamelijke verstrengeling mag een moment van voltooiing geven, het de ander geestelijk totaal bezitten is een illusie. Zoals ik ook kan zeggen: 'ik ben van mij, geen ander zal mij krijgen'.
We hebben momenten van diepe ontmoeting, maar wat ik uiteindelijk wil, 'wat ik jou vraag, wat jij mij vraagt is leeg en zonder zin gevraagd'; d.w.z. gaat ons te boven, te buiten, is te groot om dat van een ander te verwachten; ik kan dat niet geven.
Een oogwenk, o ja, op dat innigste moment van ontmoeting, maar het is slechts 'een oogwenk ver in vreemd gebied, ooit verder komen doen wij niet'.
Is dat erg? Is dat niet frustrerend, is dat niet demotiverend; om al je illusies maar overboord te gooien? Het lukt toch nooit. En dan je terugtrekken in jezelf, teleurgesteld, gewond, diep gekwetst soms, ontgoocheld, bitter misschien zelfs en daardoor wantrouwend om je nog ooit te geven.
Maar het gedicht zet opnieuw in: 'mocht ik jou vinden, ik wou een leven meer; kon ik mij binden, ik bond me aan je vast'. Dat perspectief, dat gezamenlijke perspectief 'wij samen' dat betekent leven in verhevigde mate - een leven meer! -, dat betekent dat ik mij aan jou mag binden; en meteen het risico dat ik in jou vergaan zou; ik geef me geheel met huid en haar, en die onvoorwaardelijke overgave: hoe ontstaan wij in elkaar nieuw met een tinteling in alle vezels van ons lijf, in elke zenuw van mijn geest, zinderend.
Op zo'n moment, en soms zelfs in zo'n periode lijkt me een nieuwe tijd van leven gegeven, lijkt alles wat wij elkaar vragen vervuld, één. Zo vervullend, zo diep geraakt en daardoor van een bijna alles overstijgende vreugde.
Deze fase, deze momenten, deze ervaringen van menselijke ontmoeting: hoe teder, hoe vormend, hoe creatief ook; en tegelijk: hoe tijdelijk, hoe voorbijgaand.
Maar in een menselijke verhouding kunnen die topmomenten wel een hele verhouding gronden; dat is de basis waarop wij met elkaar verbonden zijn; op die innige herkenningsmomenten varen wij. En het is niet menselijk om de eventuele kortstondigheid van dat topmoment de ander of de tijd of wat dan ook te verwijten.
Integendeel, omdat ik het het heb mogen ervaren, omdat wij het hebben mogen ervaren is dat steeds opnieuw het uitgangspunt om vol hoop opnieuw die zoektocht te wagen.
Is het 'leeg en zonder zin gevraagd'? O nee. Dat oogwenk ver in vreemd gebied is een geweldig geschenk, de moeite waard om telkens opnieuw te beogen.
En daarin ligt die andere betekenis van dit gedicht verborgen.
Het zingt eigenlijk over het bijbelverhaal van Jakob, die aartsbedrieger, die Zijn broer Ezau zijn eerstgeboorterecht ontfutselt en vervolgens de vaderlijke zegen voor de eerstgeborene door bedrog aftroggelt.
Hij is daarom weggevlucht naar veraffe familie; en keert na lange jaren rijk en aanzienlijk terug; maar met angst en beven ziet hij de ontmoeting met zijn broer Ezau tegemoet.
En dan is er dat wonderlijke verhaal: de avond voor de ontmoeting zit hij aan een beek; en daar, zo staat er, vecht hij met een man; is het een engel, is het een fantoom, is het.... In dat hevige gevecht wordt Jakob aan zijn heup gekwetst en als het gevecht stopt, krijgt Jakob een nieuwe naam: Israel. Hij heeft met God gevochten is de eeuwenoude uitleg van dit verhaal. Hij heeft zeer intens aan God geraakt, de Eeuwige heeft hem geraakt en dat is nooit meer ongedaan te maken, dat bepaalt zijn leven voor de rest van zijn jaren.
Ook in ons nadenken, mijmeren over de Eeuwige is er die nooit ophoudende behoefte, verlangen moeten we nauwkeuriger zeggen, om te achterhalen, enigszins te bevroeden wie die Eeuwige is, zo onachterhaalbaar eigen. Dat vreemde verlangen, dat steeds weer de kop op steekt als wij serieus over leven en dood, over de zin van het leven willen nadenken, als wij - soms systematisch, soms langdurig, soms kortstondig, vluchtig peinzen over die impuls in ons die verlangt naar volledige vervulling.
In de mens is die hang naar vervulling onweerstaanbaar. In onze vriendschappen en liefdesrelaties krijgt dat verlangen gestalte; maar er is altijd weer een verder. We willen in dat vreemde, verre gebied verder komen; maar we ervaren dat dat verlangen nooit volkomen vervuld wordt; steeds weer opnieuw kruipen als kleine scheuten van een plant in het voorjaar die verlangens te voorschijn.
Is het een schimmenspel, is het een najagen van wat niet bestaat of is het een in ons diepste wezen geënt zijn op de Eeuwige; en dus dat ik mag leven in de hoop dat ooit dat verlangen volledig vervuld wordt, dat ooit dat verlangen in vrede, bevredigd zal zijn.
En die onrust die in mij haakt is de garantie dat dat perspectief geen fantoom is, maar een afgestemd zijn op wat ooit zal zijn.
'Toen ging jij heen en bleef ik met mijn droom alleen.' Op die bijzondere momenten dat ik God misschien heb mogen ervaren, dat ik geraakt werd door de Eeuwige, wist dat de Eeuwige werkelijkheid is, op die ogenblikken is het fundament gelegd dat ik dat verlangen in mij serieus moet blijven nemen en gelukkig moet zijn met dat verlangen. Sterker nog: dat verlangen dat onophoudelijk lijkt te kloppen, is voldoende; koester het.
Beleef het in menselijke ontmoetingen, laat je raken door anderen, raak de ander aan met tederheid, met eerbied, omdat het altijd rijmt op de aanrakingen van de Eeuwige, die daarin tot werkelijkheid wordt. Heel gewoon, dichtbij, tastbaar, zoals die worsteling van Jakob aan de beek.
Een droom? Welnee. Een geschenk dat verlangen naar elkaar, naar de Eeuwige.
En al lijkt het een sprong: toch kunnen we zeggen: in Jezus heeft dat gestalte gekregen. Hij raakte aan mensen en ze genazen. Hij werd de zichtbare gestalte van de Eeuwige; en als wij in zijn voetstappen gaan, zoals de tweede lezing vandaag aanspoort, maken ook wij dat waar. Zo goed als God te zijn, voor jou, voor jou.

Terug naar homepage Dignity